Nederland - Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2015, AWB 15/11534

Printer-friendly versionPrinter-friendly versionPDF versionPDF version
Kop: 

Er bestaat een reëel risico dat Hongarije, door overvolle accommodatie, kwetsbare terugkerende Dublinclaimanten niet (meer) op kan vangen. De eiseres en haar twee minderjarige kinderen zouden door de inadequate opvang blootgesteld kunnen worden aan een behandeling die in strijd is met Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voordat de terugkeer van een kwetsbare Dublinclaimant plaatsvindt, moeten eerst garanties van adequate opvang aan Hongarije gevraagd worden.

Feiten: 

Een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen met allen de Oekraïense nationaliteit heeft op 2 april 2015 in Nederland asiel aangevraagd. Op 1 maart 2015 had zij reeds een verzoek ingediend in Hongarije, waarna zij met hulp van de Hongaarse autoriteiten naar Oekraïne is teruggekeerd en haar verzoek in Hongarije introk. Op 5 maart 2015 heeft ze zich in Polen gemeld en is vervolgens naar Nederland doorgereisd waar zij op 30 maart 2015 aankwam. Haar asielaanvraag in Nederland is 11 juni 2015 afgewezen omdat deze onder het Dublin verdrag in Hongarije behandeld had moeten worden. Zij is in deze zaak tegen dit besluit in beroep gegaan. 

Besluit en motivering: 

Ten eerste stelde de eiseres dat zij vreest dat Hongarije haar terug zal sturen naar Oekraïne zonder haar asielverzoek inhoudelijk te beoordelen. Omdat haar eerdere verzoek is ingetrokken en afgewezen, zal zij haar verzoek moeten herhalen en met nieuwe ondersteunende feiten en informatie moeten komen die zich na haar vertrek uit Hongarije hebben voorgedaan. Hierdoor worden haar oorspronkelijke motieven niet beoordeeld. Ook vreest zij dat een beroep tegen een besluit over de opvolgende aanvraag geen schorsende werking zal hebben waardoor zij met haar kinderen in Hongarije gedetineerd zal worden en slachtoffer zal worden van een behandeling in strijd met Artikel 3 van het EVRM.

De verweerder, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hier tegen dat de Hongaarse autoriteiten hebben aangegeven dat een terugkerende Dublinclaimant, die een eerder asielverzoek heeft ingetrokken welk nog niet inhoudelijk is beoordeeld, een nieuw verzoek in hoort te dienen. Dit nieuwe verzoek zal vervolgens inhoudelijk beoordeeld worden.

De rechtbank sluit zich aan bij de verweerder en ziet geen grond voor het argument dat de nieuwe asielaanvraag zal worden gezien als een herhaalde asielaanvraag zonder recht op opvang en waar nieuwe feiten en omstandigheden voor nodig zijn, en waarbij een beroep tegen een besluit geen schorsende werking zal hebben. De garanties die de Hongaarse autoriteiten hebben gegeven zijn daarmee in lijn met Artikel 18(1)(c) van Verordening (EU) Nr. 604/2013 (‘Vo 604/2013’).

 

Ten tweede stelde eiseres dat, door nieuwe Hongaarse wetgeving en door opschorting van terugname van Dublinclaimanten door Hongarije, zij geen toegang zal hebben tot een Hongaarse rechter. Onder de nieuwe wetgeving die op 1 augustus 2015 in werking is getreden wordt Servië als veilig derde land geduid en kan Hongarije alle asielzoekers die via de “Balkan route” zijn binnengekomen afwijzen en detineren.

Omdat Hongarije hiermee expliciet aangeeft niet aan de verplichtingen onder Vo 604/2013 te zullen voldoen, verzocht de rechtbank aan verweerder om zich uit te laten over de consequenties van de opschorting van overdrachten op de zaak van de eiseres.

Op basis van een email van DubliNet Hungary van 3 juli 2015 aan alle lidstaten, oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van een opschorting van terugname van Dublinclaimanten en wijst erop dat een andere overdracht naar Hongarije al heeft kunnen plaatsvinden.

De rechtbank oordeelt dat het niet kan inzien of de asielaanvraag van eiseres wordt afgewezen vanwege de nieuwe wetgeving, omdat niet is gebleken dat de eiseres via de Balkan route naar Hongarije is gereisd. Tevens heeft de eiseres het niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe Hongaarse wetgeving in strijd is met Europees recht en dat een terugkerend Dublinclaimant geen toegang tot een Hongaarse rechter zal hebben om over tekortkomingen te klagen.

 

Tot slot stelde de eiseres dat zij als alleenstaande moeder met minderjarige kinderen als kwetsbare persoon moet worden beschouwd en dat de opvangvoorzieningen in Hongarije van dusdanig slecht niveau zijn dat zij niet voldoen aan de Tarakhel-garanties. Door de grote toestroom asielzoekers is het systeem overbelast en is er in Hongarije een crisis in de opvang van asielzoekers ontstaan. Eiseres stelde verder dat zij met klachten over de voorzieningen niet bij de directie van haar eerdere opvang in Hongarije terecht kon.

De rechtbank oordeelt dat de eiseres zich met problemen betreffende de voorzieningen van de opvang tot de autoriteiten van Hongarije dient te wenden, tenzij er ernstige structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen zijn.

Verder constateert de rechtbank dat de eiseres als alleenstaande moeder met minderjarige kinderen moet worden gezien als een bijzonder kwetsbare vreemdeling onder Artikel 21 van Richtlijn 2013/33/EU en zoals omschreven in het arrest in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (nr. 29217/12, JV 2014/384). Als de eiseres na overdracht in een vergelijkbare situatie zoals beschreven in Tarakhel, terecht komt, zou dit in strijd zijn met Artikel 3 van het EVRM. Een dergelijke situatie is overvolle accommodatie met slechte hygiëne die niet passend is voor kinderen. De rechtbank neemt het oordeel van het EHRM in Tarakhel, dat speciale bescherming van asielzoekers vooral belangrijk is bij overdracht van gezinnen met kinderen, ook in acht. De rechtbank oordeelt dat het Hongaarse asielsysteem door de grote stroom asielzoekers niet in staat is met kwetsbaarheid om te gaan en dat er een grotere behoefte aan voorzieningen is dan wat de huidige opvangcentra kunnen bieden. De opvangsituatie in Hongarije is daarom te vergelijken met die in Italië zoals beoordeeld in Tarakhel.

De rechtbank stelt daarom dat aan de Hongaarse autoriteiten garanties moeten worden gevraagd om zeker te zijn dat de eiseres en haar kinderen niet in overvolle opvang met onaanvaardbare leefomstandigheden terecht komen en zo worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met Artikel 3 van het EVRM. Omdat de verweerder deze garanties niet heeft gevraagd, levert overdracht van de eiseres en haar kinderen een reëel risico op schending van Artikel 3 van het EVRM.

Het beroep is hiermee gegrond verklaard.

Uitkomst: 

Beroep gegrond verklaard.

Subsequent Proceedings : 

De Raad van State heeft sindsdien tevens geoordeeld over Dublinoverdrachten naar Hongarije. In twee aparte zaken heeft de Raad bepaald dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nader onderzoek had moeten doen naar het risico dat de claimanten in omstandigheden terecht komen die in strijd zijn met Artikel 3 van het EVRM.

Observations/Comments: 

Deze zaak demonstreert dat er speciale aandacht besteed moet worden wanneer de terugkeer van een Dublinclaimant geëist wordt wanneer het een kwetsbaar persoon betreft. De opvang in de oorspronkelijke lidstaat zou voor een kwetsbaar persoon onaanvaardbaar kunnen zijn. 

This case summary was written by Caitlin Lamboo, a student a BPP Law School. 

The case summary was proof read by Romeo smithen, a student a BPP Law School.