Nederland: Raad van State afdeling Bestuursrechtspraktijk, 26 november 2015, 201507248/1/V3

Land van besluit:
Land van herkomst:
Date of Decision:
26-11-2015
Citation:
201507248/1/V3
Court Name:
ABRvS (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State) ABRvS
Printer-friendly versionPrinter-friendly versionPDF versionPDF version
Kop: 

Het grief slaagt erom of de staatssecretaris wel al dan niet zijn vergewisplicht is nagekomen in de behandeling van een asielaanvraag met risico op refoulement.

Feiten: 

Het betreft het hoger beroep van de applicant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 8 september 2015 in zaak nr. 15/15138. Bij besluit van 6 augustus is de aanvraag van de applicant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de applicant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De applicant betoogt in hoger beroep dat de staatssecretaris het asielverzoek in behandeling had moeten nemen en dat het eerdere beroep tegen zijn besluit gegrond was.

Besluit en motivering: 

De applicant betoogt dat de rechtbank onterecht overwoog dat zij niet duidelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris ten onrechte uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ze betoogt dat overdracht aan Hongarije strijdig is met de artikelen 3, 5 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) omdat de Hongaarse asielprocedure diverse tekortkomingen heeft. Voorts betoogt de applicant dat de rechtbank ten onrechte aannam dat na overdracht aan Hongarije de behandeling van het asielverzoek  zou worden hervat en zou worden behandeld hetgeen strijdig is met de gewijzigde Hongaarse asielwetgeving.

Bovendien verduidelijkt de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (zaak nr. 30696/09) dat in dit geval, waar een overdracht strijdig is met artikel 3 en 13, de applicant zijn stelling kan onderbouwen met algemene documenten die aanleiding geven tot gerede twijfel . De door de applicant voorgelegde documenten gaven aanleiding voor gerede twijfel en bijgevolg hoorde de staatssecretaris, ondanks het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zijn vergewisplicht te volbrengen om zelf nader onderzoek te verrichten naar de situatie in het desbetreffende land.

De Raad van State nam daarom het volgende in overweging en accepteerde dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten ondernemen om te voldoen aan zijn vergewisplicht en aldus te kunnen stellen dat er geen situatie indruisend tegen Artikel 3 EVRM zou kunnen ontstaan. Zodoende werd ook aanvaard door de Raad van State dat de rechtbank niet erkend heeft dat het voorgaande besluit van de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd was. Voorts waren er het hoger beroep geen rechtsvragen of vragen van feitelijke aard aan de orde die niet op basis van de op de zaak betrekking hebbende stukken hadden kunnen worden beantwoord.

De Afdeling heeft daarom besloten om de applicant te volgen in haar betoog. Het beroep op het besluit van de staatssecretaris wordt daarom alsnog gegrond verklaard en beide besluiten van de staatssecretaris en het besluit van de rechtbank van beroep in eerste aanleg werden derhalve vernietigd. 

Uitkomst: 

Het hoger beroep is toegewezen en de uitspraak van de rechtbank Den Haag is vernietigd alsook het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van een inschatting van proceskosten voor het beroep en hoger beroep ter waarde van €1960. 

Subsequent Proceedings : 

Een tweede uitspraak op diezelfde dag door de Raad van State bevestigde deze uitkomst in zaak nummer 201507322/1/V3, in de uitspraak van 26 november 2015

De bevinding werden bevestigd door de ondergeschikte Nederlandse gerechtshoven zoals bijvoorbeeld in de uitspraak op 8 december 2015 door de Rechtbank Den Haag in zaak nr VK-15_20035 / VK-15_20036, alsook in correspondentie van de Staatssecretaris van justitie op 4 januari 2016.

Observations/Comments: 

De rechtbank verduidelijkte dat in deze zaak de acceptatie van het asiel terugnameverzoek door Hongarije en het stellen van prejudiële vragen niet relevant waren voor het geschil.

This case summary was written by Laura Robyn, a LPC student at BPP University. 

The summary was proof read by Joanna Oomen a GDL student at BPP University.