Belgie - RVV, arrest nr. 94534 van 3 januari 2013

Land van besluit:
Land van herkomst:
Date of Decision:
03-01-2013
Citation:
RVV, arrest nr. 94534 van 3 januari 2013
Court Name:
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (de MOFFARTS)
National / Other Legislative Provisions:
Belgium - Koninklijk Besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen - Artikel 27(a)
Belgium - Vreemdelingenwet/loi sur les étrangers 15/12/1980 (Aliens Act) - Art 39/1 §2
Belgium - Vreemdelingenwet/loi sur les étrangers 15/12/1980 (Aliens Act) - Artikel 48/3 §4
Printer-friendly versionPrinter-friendly version
Kop: 

De RVV verwijst naar het arrest M.M. tegen Minister for Justice, Equality and Law Reform, Ireland, Attorney General, van het Hof van Justitie met betrekking tot de interpretatie van artikel 4 van de Richtlijn 2004/83/EG om te wijzen op de medewerkingsplicht van de Lidstaten bij het vaststellen van relevante elementen in het asielrelaas en zodoende nader onderzoek te doen naar de specifieke situatie van de asielzoeker.

Feiten: 

Verzoekster, Irakese afkomstig uit Mosul en Chaldeeuws christene, verklaart door problemen van haar echtgenoot Syrië te hebben ontvlucht en niet terug te kunnen naar Irak wegens problemen die haar broer en neef er kenden.

In 2006 verhuisde verzoekster met haar 2 broers, zus en ouders naar Syrië wegens de oorlog in Irak, problemen van haar broer die een alcoholwinkel uitbaatte en de moord op haar neef door terroristen. Haar twee andere zussen bleven in Irak te Mosul.

In Syrië beschikken verzoeksters broers, zus en vader over een Syrische verblijfsvergunning en haar moeder over de Syrische nationaliteit. Ze wonen er nog steeds.

In 2009 huwde verzoekster met een Syriër. In november 2011 verliet ze Syrië met haar man en dochter wegens problemen van haar echtgenoot omwille van zijn activiteiten voor een mensenrechtenorganisatie. Diezelfde maand vroeg ze asiel aan in België. Aan haar Syrische echtgenoot werd de subsidiaire bescherming toegekend.

Het CGVS beoordeelde haar vrees ten aanzien van het land waarvan ze de nationaliteit bezit, namelijk Irak en concludeerde dat haar zussen er nog steeds wonen en ze er geen persoonlijke problemen kende waardoor haar de vluchtelingenstatus geweigerd werd. Het onderzoek naar subsidiaire bescherming werd eveneens gevoerd ten aanzien van Irak en werd haar ook geweigerd aangezien verzoeksters regio van afkomst als voldoende veilig wordt beschouwd. 

Verzoekster diende een beroep in tegen deze negatieve beslissing.

Besluit en motivering: 

Verzoekster haalde aan dat het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, de zorgvuldigheidsplicht en de hoorplicht geschonden werden omdat haar interview van korte duur was en er geen grondig noch zorgvuldig onderzoek gebeurd is naar haar positie indien ze zou moeten terugkeren naar een streek waar christenen systematisch vervolgd werden.

De Raad merkt op dat verzoekster geen uitvoerige verklaringen met betrekking tot haar vrees kon geven en vind haar persoonlijke omstandigheden, namelijk een lage scholingsgraad en vertrek uit Irak reeds in 2006, hiervoor een aannemelijke verklaring.

De Raad stelt vast dat verzoekster niet persoonlijk vervolgd werd, maar wijst erop dat rekening moet gehouden worden met het feit dat het aannemelijk is dat familieleden van verzoekster vervolgd werden en met de problematische achtergrondsituatie in haar streek van herkomst, in het bijzonder voor niet-moslim minderheden. Bovendien is ze kwestbaar door het feit dat haar echtgenoot als vreemdeling geen eigen familiaal netwerk heeft in Irak.

De Raad haalt aan dat ze ook Syrië heeft verlaten omwille van asielgerelateerde redenen en verwijst naar de subsidiaire beschermingsstatus die aan haar man werd verleend.

De Raad verwijst naar een uitspraak van het Hof van Justitie (in de zaak M.M. tegen Minister for Justice, Equality and Law Reform, Ireland, Attorney General, C-277/11) die zich uitspreekt over de medewerkingsplicht van de asielinstanties in lidstaten in het kader van de vaststelling van de relevante elementen voor de beoordeling van de asielaanvraag (interpretatie van artikel 4 van de Richtliijn 2004/83/EG). In casu is de Raad van mening dat de situatie van christelijke minderheden in Mosul nader dient onderzocht te worden. Op basis van meerdere rapporten (o.a. de Eligibility Guidelines van UNHCR) leidt de Raad af dat het aannemelijk is dat christelijke minderheden in Mosul en Niwena kwetsbare minderheden zijn die waarschijnlijk internationale bescherming nodig hebben.

Rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van verzoekster, de moeilijkheden die ze heeft om haar vrees op gedetailleerde wijze te uiten en de situatie in Mosul, acht de Raad de vrees voor vervolging van verzoekster aannemelijk omwille van haar ras, godsdienst en nationaliteit.

Uitkomst: 

Beroep aanvaard: erkenning van de vluchtelingenstatus

Other sources cited: 

S. BODART, « La protection internationale des réfugiés en Belgique », Bruylant, 2008, 171-172

UNHCR, “Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Iraq”, 31 mei 2012, p. 25 tot 28

CEDOCA, “Subject Related Briefing Irak, De actuele veiligheidssituatie in Centraal-Irak-Ninewa/Kirkuk”, 5 januari 2012, geupdate 31 juli 2012

P.H. KOOIJMANS, “Internationaal publiekrecht in vogelvlucht”, Kluwer, Deventer, 2000, 354

Case Law Cited: 

Belgium - RvS, arrest nr. 118.506 van 22 april 2003

Belgium - RVV, arrest nr. 59.998 van 19 april 2011

CJEU - C-277/11 MM v Minister for Justice, Equality and Law Reform, Ireland, Attorney General (UP)