België - Raad van State, 5 juli 2013, No. 224.276

Land van besluit:
Land van herkomst:
Date of Decision:
05-07-2013
Citation:
No. 224.276
Court Name:
Raad van State (RvS)
National / Other Legislative Provisions:
Belgium - Vreemdelingenwet/loi sur les étrangers 15/12/1980 (Aliens Act) - Artikel 48/5
Belgium - de Grondwet / la Constitution (Constitution) - Art 149
Printer-friendly versionPrinter-friendly version
Kop: 

Algemene landeninformatie waaruit blijkt dat de situatie van teruggekeerde vluchtelingen (in Kaboel) vaak mensonwaardig is moet mee in overweging genomen bij het bepalen van het redelijk karakter van een intern vluchtalternatief (IVA).  Gebeurt dat niet, dan is de grondwettelijke jurisdictionele motiveringsplicht geschonden. 

Feiten: 

Verzoeker is een Afghaanse asielzoeker van Oezbeekse origine, afkomstig uit de provincie Sari Pul, die in 2009 als niet-begeleide minderjarige in België een eerste keer asiel aanvroeg. Na de definitieve weigering van die asielaanvraag wordt hij aangehouden met het oog op gedwongen terugkeer en dient hij een tweede aanvraag in.  Hij roept problemen die zijn familie had met de taliban in als reden van zijn vlucht. Ook zegt hij dat de verslechterde veiligheidssituatie door de aanwezigheid van de taliban en overstromingen in de regio een terugkeer onmogelijk maken.  

Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtleingen en Staatlozen (CGVS) weigert zijn vluchtelingenstatus te erkennen omdat het zijn verklaringen over de problemen met de taliban ongeloofwaardig vindt.  De veiligheidssituatie in Sari Pul vindt het CGVS niet relevant voor de beoordeling van de toepassing van de subsidiaire bescherming omdat Kaboel voor hem redelijkerwijs als een veilig intern vestigingsalternatief beschouwd kan worden.  Hij is namelijk een volwassen man die scholing genoot en werkervaring heeft, waardoor volgens de Eligibility Guidelines van UNHCR de nood aan een traditioneel beschermingsmechanisme zou vervallen.  

In beroep legt verzoeker Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) uitgebreide informatie voor van mensenrechten- en vluchtelingenorganisaties waar ook het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) naar verwijst, en waaruit blijkt dat de omstandigheden voor teruggekeerden in Kaboel uiterst moeilijk zijn en zij vaak in mensonwaardige situaties in vluchtelingenkampen terechtkomen.  Ook verwijst hij naar de interpretatie door UNHCR van het redelijk karakter van een IVA, nl. dat de betrokkenen er in staat moet zijn “a relatively normal life without facing undue harship” te lijden.  De RvV (arrest nr. 87988 van 21 september 2012) beperkt zich tot de vaststelling dat de informatie niet tot een ander oordeel kan leiden aangezien verzoeker niet aantoont dat zijn situatie anders is dan die van andere alleenstaande mannen in Kaboel, die er volgens UNHCR een IVA zouden kunnen vinden.  De RvV bevestigt de beslissing van het CGVS.

Tegen het arrest van de RvV wordt een zgn. cassatieberoep ingediend bij de Raad van State (RvS) met als argument dat de RvV zijn grondwettelijke motiveringsplicht geschonden heeft en de wettelijke voorwaarden om van een IVA te kunnen spreken niet correct heeft toegepast.

Besluit en motivering: 

De RvS verwijst naar artikel 48/5, §3 van de Vreemdelingenwet (omzetting van artikel 8, lid 2 van de Kwalificatierichtlijn) waarin bepaald wordt dat het redelijk karakter van een IVA vastgesteld moet worden aan de hand van de algemene omstandigheden in het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.  Verzoeker legde aan de RvV algemene informatie voor over de situatie van teruggekeerde vluchtelingen asielzoekers in Kaboel – waaruit blijkt dat die vaak in vluchtelingenkampen terechtkomen, in mensonwaardige omstandigheden –, als kritiek op de beoordeling door het CGVS.  Die informatie moet door de RvV dan ook onderzocht worden. 

Als de RvV die kritiek verwerpt, moet het duidelijk de reden daarvoor in zijn arrest opnemen.  De algemene bewering dat de informatie niet volstaat om de beslissing van het CGVS te veranderen volstaat daartoe niet omdat niet blijkt dat de het profiel van verzoeker als terugkerende vluchteling mee in overweging genomen is.  De RvV schendt hierdoor de grondwettelijke motiveringsplicht die op alle rechtsprekende instanties rust (artikel 149 Grondwet).    

Aangezien het motief van Kaboel als IVA door het CGVS en de RvV enkel ingeroepen wordt om de subsidiaire bescherming te weigeren, en niet bij de weigering van de erkenning als vluchteling, wordt enkel dat deel van het bestreden arrest vernietigd.

Uitkomst: 

Arrest van de RvV vernietigd voor wat betreft de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; verwijzing van de zaak naar ander samengestelde kamer van de RvV.

Subsequent Proceedings : 

De zaak is nog hangend bij de RvV.

Observations/Comments: 

De Raad van State verplicht met dit arrest de asielinstanties (in eerste instantie het CGVS) de omstandigheden van teruggekeerde vluchtelingen in het land van herkomst mee in rekening nemen bij het beoordelen van de aanwezigheid van een redelijk IVA. 

Het spreekt zich in dit arrest niet expliciet uit over de al dan niet gedeelde bewijslast tussen asielzoeker en het CGVS, in het bijzonder m.b.t. de algemene omstandigheden die in overweging genomen moeten worden bij het beoordelen van de redelijkheid van een IVA – in casu werd de inforamtie daarover door de asielzoeker zelf aangedragen.  Hoewel de gedeelde bewijslast en de plicht tot actieve coöperatie in hoofde van de asielinstanties in België een controversieel punt is (België werd ervoor veroordeeld door het EHRM in het arrest Singh, maar zette de tweede zin van artikel 4, lid 1 van de Kwalificatierichtlijn 2011/95 opvallend genoeg niet om in de nationale wetgeving), is het toch algemeen aanvaard dat algemene landeninformatie (waaronder die m.b.t. de situatie van teruggekeerde asielzoekers) tot de onderzoeksplicht, en dus bewijslast, van de instanties behoort.

Het lijkt er dan ook op dat het CGVS alvorens Kaboel als intern vluchtalternatief aan te wijzen (ook in geval van zelfstandige, geschoolde volwassen mannen met werkervaring) de situatie van teruggekeerde vluchtelingen in overweging zal moeten nemen.  Aangezien die situatie als mensonwaardig beschreven wordt in rapporten van mensenrechtenorganisaties, lijkt het uitgesloten dat Kaboel nog als IVA zal kunnen dienen – tenzij het CGVS zou kunnen motiveren waarom de individuele asielzoeker in kwestie zeker niet in die situatie zal belanden.

Other sources cited: 

UNHCR, Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan, 17 December 2010 (replaced by new Guidelines from August 2013)