België - Grondwettelijk Hof, 1 december 1994, Nr. 83/94

Land van besluit:
Land van herkomst:
Date of Decision:
01-12-1994
Citation:
Nr. 83/94
Additional Citation:
Published in: A.A. 1994, p. 975; B.S. 17-01-1995, p. 1113; TBP 1995, p. 166
Court Name:
Grondwettelijk Hof
Printer-friendly versionPrinter-friendly versionPDF versionPDF version
Kop: 

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat art. 50, derde en vierde lid, Vw. (huidig art. 51/8 Vw.) aldus moet worden geïnterpreteerd dat de mogelijkheid om een beroep tot schorsing in te stellen enkel is uitgesloten in de gevallen waar aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

(1) de vreemdeling heeft reeds vroeger een asielaanvraag ingediend die werd afgewezen,

(2) de vreemdeling heeft de mogelijkheid gehad om hiertegen in beroep te gaan en alle rechtsmiddelen uit te putten, en

(3) de vreemdeling legt een identieke vluchtelingenverklaring aan zonder enig nieuw gegeven aan te voeren.

Feiten: 

X en Y, van Roemeense nationaliteit, stelden voor de Raad van State een vordering in tot schorsing, volgens de rechtspleging van de uiterst dringende noodzakelijkheid, van de tenuitvoerlegging van de beslissing tot weigering van inaanmerkingingneming van een verklaring van vluchteling, die op 31 maart 1994 door de DVZ was genomen. De Raad van State, die ambtshalve zijn bevoegdheid toetste, stelde vast dat art. 50, laatste lid, Vw. (huidig art. 51/8 in fine Vw.), bepaalt dat geen vordering tot schorsing kan worden ingesteld tegen een beslissing om de verklaring van een kandidaat-vluchteling niet in aanmerking te nemen. De Raad besloot de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (toenmalig Arbitragehof) voor te leggen: “schendt art. 50, laatste lid (Vw.) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het elk rechterlijk beroep in administratief kort geding ontzegt aan de kandidaat-vluchteling wiens verklaring van vluchteling het voorwerp heeft uitgemaakt van een weigering van inaanmerkingneming, terwijl het gerechtelijk kort geding hem overigens wordt ontzegd bij artikel 63, tweede lid (Vw.).”

Besluit en motivering: 

Art. 50, derde en vierde lid, Vw. (huidig art. 51/8 Vw.) is de bepaling die stelt dat de Minister of diens gemachtigde kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voorts wordt bepaald dat een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen alleen vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (sinds wetswijziging van 2006: Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; zie art. 51/8 Vw.) en dat er geen vordering tot schorsing kan worden ingesteld tegen dergelijke beslissing.

De vraag was gerezen of dergelijke uitsluiting van de schorsingsprocedure voor deze categorie vreemdelingen geen schending vormde van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het Grondwettelijk Hof ging in zijn arrest na welke de bedoeling van de wetgever was bij het invoeren van deze beperking en stelde vast dat het oogmerk erin bestond een specifieke vorm van misbruik van procedure, m.n. het systeem van herhaalde identieke verklaringen, uit te schakelen. De wetgever sloot de vordering tot schorsing bij de Raad van State dus uit in de gevallen waar een vreemdeling (1) reeds vroeger een vluchtelingenverklaring heeft afgelegd die werd afgewezen, (2) de mogelijkheid heeft gehad om tegen die weigering in beroep te gaan en alle rechtsmiddelen uit te putten, en (3) een identieke verklaring aflegt zonder enig nieuw gegeven aan te voeren. Het Grondwettelijk Hof concludeerde bijgevolg dat de uitsluiting van de schorsingsprocedure enkel van toepassing is op een louter bevestigende beslissing van de Minister of zijn gemachtigde. De vordering tot schorsing zal dus niet ontvankelijk zijn in dat specifieke geval. Alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren zal de Raad van State nagaan of de voorwaarden m.b.t. die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld. Als de vreemdeling nieuwe gegevens aanvoert, maar de bevoegde Minister of diens gemachtigde oordeelt dat zij niet van aard zijn dat daardoor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag wordt aangetoond, is de uitsluiting van de schorsingsprocedure niet van toepassing.

Dit betekent concreet dat wanneer een tweede asielaanvraag niet in aanmerking wordt genomen en er ernstige aanwijzingen zijn om die beslissing aan te vechten, er wel een verzoek tot schorsing kan worden ingediend met als argumentatie dat aan de drie criteria niet voldaan is.

Uitkomst: 

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de wetgever maatregelen kan treffen om misbruik van procedure tegen te gaan. Binnen de enge grenzen van art. 50, derde en vierde lid, Vw. (zoals door het Hof geïnterpreteerd), is deze regel niet kennelijk onredelijk of onevenredig. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is dus niet geschonden (in die interpretatie).

Observations/Comments: 

The legal provision, Art 51/8 of the Aliens Law, states:

“The Minister or his/her mandate holder can decide not to take into consideration an asylum application when the foreign national has previously filed the same application (…), and he/she does not present new elements that there exist, in his/her respect, serious indications of a well-founded fear of persecution (…), or serious indications of a real risk of serious harm (…). The new elements should relate to facts or situations that have occurred after the last phase in the procedure in which the applicant would have been able to present them.”

Other decision of the Constitutional Court with the same reasoning: decision nr. 61/94.

In 2008 the Constitutional Court, in its decision nr. 81/08, confirmed that its 1994 decision still stands after the 2006 changes in the asylum procedure. The fact that the appeals body is now the “Council for Alien Law Litigation” rather than the “Council of State” has no effect. The CALL, in its decision nr. 133 of 16 June 2007, accepted the interpretation given by the Constitutional Court.